| de schrijver |

| proza |

| poëzie |

| publicaties |

| contact |

| links |

 
   

De meeste verhalen komen uit mijn nabije omgeving of uit mijn turbulente verleden. Fictie speelt hier in een belangrijke rol. Wat is er mooier om mensen in diverse omstandigheden te observeren en dat toe te passen in een verhaal. Ik laat het aan de lezer over om te oordelen of een situatie biografisch is of fictie zou kunnen zijn.

Soms duikt een reisverslag op, maar dan als kort verhaal. Ik probeer personages uit te diepen en voor zichzelf te laten spreken met al hun (on-) hebbelijkheden.

Mijn binnenkort te verschijnen verhalenbundel 'Gisteren was het zondag' staat vol met personages die iets te vertellen hebben, soms vanuit de ik-vorm en soms vanuit de positie van de verteller. Er wordt regelmatig een beroep gedaan aan de lezer om tussen de regels te lezen en eigen fantasie te gebruiken om een beeld te verkrijgen.


 

Stalking

 

Op donderdag ontweek hij het centrum van het vestingstadje, dan was de weekmarkt aan de gang. Joris had een hekel aan boodschappende- onverzorgde- te dikke huisvrouwen en aan toeristen. Op donderdag wemelde het van deze mormels met hun plastic boodschaptassen en hun jeremiërende kinderen. Op andere dagen was het rustiger en in de late ochtend had hij meer kans op een stoel met tafeltje op het piepkleine terras van koffie en ijssalon ‘Capri.’

   ‘Goedemorgen mijnheer, hetzelfde recept?’

   ‘Graag, met een beetje melk hč, niet vergeten.’

   Met een Volkskrant, zware shag en een dubbele espresso had hij zicht op het kruispunt met winkelend publiek. Ze zal toch een keer langs moeten komen, dacht hij bij zichzelf.

Twee weken geleden had hij haar gezien in een flits, een schim was het meer niet. Op een godvergeten donderdag nog wel, toen hij om zijn krantje liep. Ze kwam uit de HEMA en loste op in de zee van mormels. Ze liep in de richting van ‘Capri’, dat wist hij zeker en daarom zat hij nu al twee weken in weer en wind te wachten op het terras onder de luifel maar was haar niet meer tegengekomen.

   Thuis had hij teruggerekend, het moest vierendertig jaar geleden zijn geweest dat ze verkering hadden gehad en zijn hart sloeg over toen hij haar zag, ze was geen spat veranderd. Ja, een beetje, hoe zeg je dat, voller maar niet dik.

   Er zat niets anders op dan de donderdag ook in zijn ritueel op te nemen.           

‘Dan zit ik zeven dagen in de week bij ‘Capri’ op het terras, zouden ze dat niet een beetje vreemd beginnen te vinden? Ze zullen denken dat ik de koffie lekker vindt en anders zoeken ze het maar uit. Wanneer men er iets van zou zeggen, ga ik iedere dag voor de HEMA staan, dan missen ze vijf euro per dag. Mag ik even afrekenen alstublieft?’

   ‘Dat is dan vijf euro alstublieft. Dank u wel en tot morgen.’

   ‘Tot morgen, ik kom toch nooit op donderdag?’

   ‘O, neemt u mij niet kwalijk mijnheer, tot ziens dan maar.’

   Joris verbeet zich om de opmerking van de serveerster en aarzelde of hij de volgende dag alsnog naar het terras van ‘Capri’ zou gaan.

Ze was altijd ergens in zijn achterhoofd blijven spoken, ook tijdens de relaties die hij later met andere vrouwen had gehad. Niet nadrukkelijk, maar net onder de oppervlakte van het bewustzijn. Zonder moeite kon hij haar beeld oproepen en dat gebeurde meestal wanneer hij een slechte dag had, een beetje depressief was. Hij kon geen enkele negatief karaktertrekje van haar bedenken, een godin was ze en als ze dat na vierendertig jaar nog steeds is, dan zal dat ook nooit meer veranderen. Slapeloze nachten had het hem gekost maar dat had hij er voor over, nu was ze immers niet meer zozeer onder de oppervlakte, maar het nam de vorm van een obsessie aan.

   ‘Het is toch geen stalking geworden. Dat doe je wanneer je weet waar iemand woont en dat is in dit geval duidelijk niet aan de orde, aan de andere kant ben ik er wel erg mee bezig. Nee ik wil alleen een praatje maken, over hoe het gaat en zo.’ Prevelend liep Joris op de donderdag toch langs de kiosk voor zijn krant, maar die was uitgerekend vandaag uitverkocht.

   ‘Niet te geloven uitgerekend vandaag met de kunstkatern. De provinciale krant dan maar.’ Hij kwam langs ‘Capri’ en zag nog een vrije stoel.

   ‘Goedemorgen mijnheer, hetzelfde recept? maar...’

   ‘Ja, ja, ik weet het, doe nou maar. Enne...’

   ‘Met melk, komt eraan mijnheer.’

   De andere stoel aan het aluminiumtafeltje was bezet door een blonde dame met een diep uitgesneden decolleté en een grote zwarte zonnebril. Ze zat er geforceerd relaxed bij met haar handen bungelend over de armleuningen. Ze wiebelde voortdurend met haar rechtervoet waarbij haar slipper tegen het eelt van haar hiel tikte. Joris werd nerveus van het namaak relaxende mens naast hem en wilde er bijna iets van zeggen toen ze aan de overkant voorbijliep. Het zweet brak hem uit en wist niet wat hij moest doen, dit kwam te onverwacht.

De blonde naast hem plantte haar zonnebril hoog in het haar, stopte met wiebelen en maakte aanstalten om op te staan. De serveerster kwam met de dubbele espresso aanlopen en twee Duits jengelende kinderen besloten op dat moment tikkertje te gaan spelen.

   ‘Inge, Inge, ben jij dat?’ hoorde hij de blonde roepen.

   ‘Godver, het zal toch niet waar zijn.’

   Inge draaide zich in hun richting en kwam op het terras toelopen.

   ‘Maaike, wat leuk dat ik je hier zie, dat is toevallig!’

   ‘Meid wat leuk, hoe lang is dat niet geleden?’

   ‘Tja, dat moet meer dan dertig jaar geleden zijn geweest. In die tijd had ik verkering met die Joris, je weet wel.’

   ‘O mijn God, die engerd, tjee zie je die nog wel eens?’

   ‘Nee gelukkig niet zeg, die was mij een beetje te vreemd naar mijn zin.’

Joris liep de ijssalon binnen om af te rekenen.

   ‘Twee euro vijftig alstublieft mijneer, dank u wel, tot morgen.’

Toen hij de zaak verliet, zag hij nog dat Inge op zijn stoel ging zitten.      

© Wim Oudesluijs